Dieren Info

Damhert

Uiterlijke kenmerken

Het damhert is qua grootte kleiner dan het edelhert maar groter dan het ree. Zijn vacht is van oorsprong rood- tot geelbruin en vaak voorzien van lichte vlekken, al komen binnen één roedel verschillende kleurvarianten voor. Er bestaan zelfs volledig zwarte en geheel witte dieren. De kleur verandert met de seizoenen: in de winter is de vacht meestal grijs-beige met enkele lichtere vlekken, terwijl deze in de zomer kastanjebruin is met soms duidelijke witte stippen. Bij alle damherten loopt een donkere streep vanaf de staartwortel over de achterrug. De spiegel (het achterwerk) is veelal wit met een zwarte middenstreep en een zwarte omranding aan de bovenkant, al komt dit niet bij ieder dier voor.
Ze hebben donkere ogen en grote, zijwaarts geplaatste oren. De snuit is spits met een zwarte neusspiegel en goed zichtbare neusgaten. In tegenstelling tot reeën en edelherten ontbreekt de witte vlek op de onderlip. 

Leefgebied

Damherten leven vooral in lichte loof- en gemengde bossen en minder in uitgestrekte naaldbossen. Ze geven de voorkeur aan oudere bossen met een dichte ondergroei en voldoende gras. Daarnaast komen ze voor in randzones, open plekken, graslanden, akkerranden en parkachtige bosgebieden. In Nederland blijken met name duingebieden zeer geschikt voor deze soort. 

Leefwijze

Van nature zijn damherten actief overdag, maar door jachtdruk en verstoring zijn ze meer tot schemeringsdieren geworden. Overdag rusten en herkauwen ze in de ondergroei van het bos of op afgelegen graslanden. Damherten kunnen goed zwemmen en springen: tot 2,5 meter ver en ongeveer 2 meter hoog. Hun reuk, gezichtsvermogen en gehoor zijn uitstekend ontwikkeld. Wanneer een hert gevaar ruikt, heft het zijn staart op om soortgenoten te waarschuwen. 

Damherten leven in roedels. Na de bronstperiode vormen mannetjes vrijgezellengroepjes, terwijl de vrouwtjes (hinden) samen met hun jongen van dit jaar en het vorige jaar groepjes van vijf tot zeven dieren vormen. Zo’n hindenroedel wordt aangevoerd door een dominant vrouwtje. 

Territorium

Buiten de bronsttijd verdedigen damherten geen territorium en hebben ze geen vaste verblijfplaats. De groepssamenstelling verandert regelmatig. In de lente en zomer leven mannetjes en vrouwtjes vaak in afzonderlijke roedels; in de winter sluiten deze groepen zich meestal bij elkaar aan. Tijdens de bronst ontstaan daarnaast jeugdgroepen. Elke roedel heeft een eigen leefgebied dat vaak overlapt met dat van andere roedels en meestal in de buurt van de bronstplaatsen ligt. Mannetjes hebben over het algemeen een groter leefgebied dan vrouwtjes. 

Voortplanting

De bronsttijd vindt plaats van half oktober tot begin november. Mannetjes strijden dan om een geschikte bronstplaats; vaak gaat het om schijngevechten, maar echte confrontaties komen ook voor, al vallen er zelden slachtoffers.
Na een draagtijd van 225 tot 237 dagen, meestal in mei tot juli, wordt één kalf geboren (tweelingen zijn zeldzaam). Een pasgeboren kalf weegt ongeveer 4,5 kilo en heeft hetzelfde vlekkenpatroon als volwassen dieren. In de eerste weken ligt het vaak verscholen in de vegetatie, maar het kan zijn moeder al snel volgen. Na ongeveer twaalf weken graast het mee, al drinkt het dan af en toe nog bij de moeder. De speenperiode ligt tussen de vijf en tien maanden.