Edelhert
Uiterlijk
Het edelhert is het grootste landzoogdier van Nederland. Met een schofthoogte van ongeveer 110 centimeter is het een imposante verschijning. In de zomer heeft het edelhert een warm roodbruine vacht, wat de soort de naam ‘roodwild’ geeft. In de winter verkleurt deze naar grijsbruin. De buik is wit en ook de spiegel – het lichte vlak op het achterwerk – is duidelijk zichtbaar, omlijst door donkere haren.
Mannetjes vallen op door hun krachtige halsmanen in de herfst en hun indrukwekkende gewei. Jonge dieren dragen een bruine, gevlekte vacht die naarmate ze ouder worden verdwijnt.
Gewei
Het mannetje (het hert) ontwikkelt vanaf zeven maanden de eerste beginselen van een gewei. Na een jaar ontstaat het eerste, eenvoudige spiesgewei. Ieder jaar groeit het gewei verder uit met meer vertakkingen, de zogenaamde enden. Een volwassen gewei heeft vaak acht tot dertien enden.
In de nawinter werpt het hert zijn gewei af, waarna direct een nieuw gewei begint te groeien. Rond juli is dit volledig gevormd. De fluweelzachte basthuid wordt in augustus afgeschuurd, waarna het gewei hard en gevoelloos is.
Leefgebied
Edelherten voelen zich het meest thuis in gebieden waar bos overgaat in open land. Ze komen voor in loofbossen, heidevelden, duinvalleien, vennen en moerassen, maar mijden grote, dichte bosmassieven. In de winter is de aanwezigheid van gras en drinkwater essentieel. In berggebieden leven ze zelfs boven de boomgrens.
Leefwijze
Hoewel edelherten de hele dag actief kunnen zijn, laten ze zich in drukke gebieden vooral in de vroege ochtend en late avond zien. Ze grazen graag op open plekken, maar zoeken bij slecht weer beschutting.
Edelherten beschikken over zeer scherpe zintuigen: ze kunnen tot 300 meter ver ruiken en dankzij hun wijd geplaatste ogen grote gebieden in één oogopslag overzien. Geluiden worden op grote afstand waargenomen. De stand van de oren verraadt hun stemming.
Gedurende de dag verdelen edelherten hun tijd over rusten, grazen, herkauwen en sociale interactie. In zowel zomer als winter leven ze in roedels: herten apart en hinden apart. Een hindenroedel wordt geleid door een ervaren leidhinde met kalf.
Voortplanting
De bronstperiode loopt van half september tot half oktober. Mannetjes proberen dan een harem te vormen door luid te burlen en te imponeren. Concurrenten worden eerst met dreigend gedrag beoordeeld; zo nodig volgt een gevecht waarbij de geweien elkaar raken. Het sterke, succesvolle hert – het plaatshert – paart met de hinden.
Na een draagtijd van ruim 8 maanden wordt eind mei of juni een kalf geboren. Het jong heeft witte vlekken die na enkele maanden verdwijnen. In de eerste weken verstopt het zich in hoog gras of struikgewas, terwijl de moeder alleen terugkomt om te zogen. Na enkele weken volgt het zijn moeder en blijft ongeveer twee jaar in haar roedel. Herten worden op één- tot driejarige leeftijd geslachtsrijp; hinden op twee- tot driejarige leeftijd.
